OW /Trainer

Onregelmatige werkwoorden.

Learn Dutch irregular verbs in context. Practise their past forms until they stick.

Huidig hoofdstuk

Start

0 van 25 in A1 ontmoet

zijn

to be

  1. Ontdek
  2. Patroon
  3. Bouw
  4. Herken
  5. Schrijf

Bekijk hoe zijn verandert.

Meet the verb in three moments. You do not need to remember it yet.

Nu

Ik ben thuis.

I am at home.

Gisteren

Gisteren was ik thuis.

Yesterday I was at home.

Voltooid

Ik ben thuis geweest.

I have been at home.

[ Niveautoets ]

Bevestig je niveau

Take the final test and confirm the level. You need at least 80%. If you don't pass, you can review the lessons or try the test again.

De index / 210 werkwoorden

25

werkwoorden in A1

Van de basis naar nuance.

A1–B1 form an editorial learning path. The + section collects the remaining derived, specific and additional verbs without assigning them a CEFR difficulty level.

A1De basis25 verbs
  1. etento eat

    at / aten

    gegetenheeft

  2. gevento give

    gaf / gaven

    gegevenheeft

  3. hebbento have

    had / hadden

    gehadheeft

  4. ziento see

    zag / zagen

    gezienheeft

  5. zittento sit

    zat / zaten

    gezetenheeft

  6. kunnencan, to be able

    kon / konden

    gekundheeft

  7. helpento help

    hielp / hielpen

    geholpenheeft

  8. willento want

    wilde / wilden

    gewildheeft

  9. drinkento drink

    dronk / dronken

    gedronkenheeft

  10. lezento read

    las / lazen

    gelezenheeft

  11. denkento think

    dacht / dachten

    gedachtheeft

  12. gaanto go

    ging / gingen

    gegaanis

  13. kijkento look, watch

    keek / keken

    gekekenheeft

  14. zeggento say

    zei / zeiden

    gezegdheeft

  15. komento come

    kwam / kwamen

    gekomenis

  16. beginnento begin

    begon / begonnen

    begonnenis

  17. doento do

    deed / deden

    gedaanheeft

  18. slapento sleep

    sliep / sliepen

    geslapenheeft

  19. lopento walk

    liep / liepen

    gelopenisheeft

  20. zijnto be

    was / waren

    geweestis

  21. kopento buy

    kocht / kochten

    gekochtheeft

  22. sprekento speak

    sprak / spraken

    gesprokenheeft

  23. vindento find

    vond / vonden

    gevondenheeft

  24. vergetento forget

    vergat / vergaten

    vergetenisheeft

  25. nemento take

    nam / namen

    genomenheeft