Nu
Ik ben thuis.
I am at home.
Learn Dutch irregular verbs in context. Practise their past forms until they stick.
Huidig hoofdstuk
Start
0 van 25 in A1 ontmoet
[ Eerste ontmoeting ]
to be
[ Ontdek ]
Meet the verb in three moments. You do not need to remember it yet.
Nu
Ik ben thuis.
I am at home.
Gisteren
Gisteren was ik thuis.
Yesterday I was at home.
Voltooid
Ik ben thuis geweest.
I have been at home.
[ Niveautoets ]
Take the final test and confirm the level. You need at least 80%. Not quite there? Return to this level’s lessons and try again.
De index / 210 werkwoorden
25
werkwoorden in A1
A1–B1 form an editorial learning path. The + section collects the remaining derived, specific and additional verbs without assigning them a CEFR difficulty level.
etento eat
at / aten
gegetenheeft
gevento give
gaf / gaven
gegevenheeft
hebbento have
had / hadden
gehadheeft
ziento see
zag / zagen
gezienheeft
zittento sit
zat / zaten
gezetenheeft
kunnencan, to be able
kon / konden
gekundheeft
helpento help
hielp / hielpen
geholpenheeft
willento want
wilde / wilden
gewildheeft
drinkento drink
dronk / dronken
gedronkenheeft
lezento read
las / lazen
gelezenheeft
denkento think
dacht / dachten
gedachtheeft
gaanto go
ging / gingen
gegaanis
kijkento look, watch
keek / keken
gekekenheeft
zeggento say
zei / zeiden
gezegdheeft
komento come
kwam / kwamen
gekomenis
beginnento begin
begon / begonnen
begonnenis
doento do
deed / deden
gedaanheeft
slapento sleep
sliep / sliepen
geslapenheeft
lopento walk
liep / liepen
gelopenisheeft
zijnto be
was / waren
geweestis
kopento buy
kocht / kochten
gekochtheeft
sprekento speak
sprak / spraken
gesprokenheeft
vindento find
vond / vonden
gevondenheeft
vergetento forget
vergat / vergaten
vergetenisheeft
nemento take
nam / namen
genomenheeft